Morality. Act IV: I Could Live in Africa. Act V: Power Alone

Morality

Act IV: I Could Live in Africa.

Act V: Power Alone

Groepstentoonstelling

20 februari – 25 april 2010

Witte de With, Rotterdam

Jesse van Winden, Maart 2010

De vrijblijvendheid van de moraal

Het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With toont tot 25 april deel vier en vijf van Morality, een tentoonstellingscyclus die plaatsvindt van oktober 2009 tot oktober 2010. Met een massale opzet – een stuk of twaalf tentoonstellingen met een eigen perspectief op het thema, een filmprogramma, ‘interventies’, performances, een uitgebreid interactief webprogramma, een publicatie, en wie weet wat artistiek directeur Nicolaus Schafhausen nog meer in petto heeft – tracht Witte de With een veelvoud aan thema’s rond het begrip ‘moraliteit’ te behandelen. Act IV: I Could Live in Africa verrast met een overzicht van een Poolse tegencultuur onder een repressief communistisch bewind. Act V: Power Alone, over moraliteit door de ogen van het individu, verrast op basis van Act I en Act II niet.

De rode draad binnen de tentoonstellingscyclus lijkt het op losse schroeven zetten van aan moraliteit gerelateerde mechanismen die stilletjes in het collectieve (onder)bewustzijn werken. Niet dat zulke motieven te weinig ter discussie gesteld worden, maar kunst zou in dezen haar problematiserende aard kunnen gebruiken, zou Schafhausen hebben gedacht, en de eerste twee tentoonstellingsonderdelen leverden afgelopen herfst een gelaagd samenspel van subtiele kunstwerken op. Act III was een meerdaags filmprogramma dat begin februari 24 uur per dag films van uiteenlopende aard toonde. Zowel Mel Gibsons The Passion of the Christ als twee korte films van Julia Rudelius – een  videokunstenares met subtiele verhandelingen over multiculturele problematiek – als alle denkbare vormen daar tussenin, waren te zien.

In tegenspraak met de eenduidigheid inherent aan het concept moraliteit, is het thema erg  open gelaten. Hierdoor kon een breed spectrum aan kunstwerken betrokken worden. Met uitzondering van Act IV lijkt er echter bewust gekozen te zijn voor kunstenaars die op een weloverwogen en subtiele manier, soms zijdelings een positie innemen ten opzichte van moraliteit. Werken die een eenduidige visie geven op ethische kwesties, univocaal laten zien wat goede is en wat slecht, of juist provocerend de gangbare opvattingen in de war sturen met een expliciet slechte moraal, zijn nauwelijks te vinden.

Er is dus niet sprake van een ‘moraliteitsvraagstuk’, maar ook niet van de historische, filosofische of sociaal-culturele achtergrond die als referentiekader zou kunnen dienen. Het programma laat die opzettelijk buiten beschouwing, wellicht met de intentie dat zo juist een minder gestuurde ervaring mogelijk wordt. Gek genoeg werkt dat. Op deze manier is de kans groter dat de bezoeker teruggeworpen wordt op zijn eigen visies op het spanningsveld tussen goed en kwaad, op machtsrelaties, op de polyvalentie van de werkelijkheid, dan wanneer die ervaring al direct onderschept zou worden door de meningen van veel te invloedrijke, haast uitgekauwde autoriteiten als Plato, Adorno, Foucault of Nussbaum. Zoals het kunstcentrum het zelf formuleert: ‘Moraliteit is noch een basis, noch een superstructuur, maar een fijnmazig netwerk van invloeden die buiten de wet opereren.’

Act IV: I Could Live in Africa is een historisch uitstapje waarvan er het resterende half jaar van Morality wel meer zouden mogen. Het geeft een overzicht van de illegale Poolse kunstzinnige tegencultuur in de jaren ’80. Via originele kunstwerken, documentatie, re-enactments, originele exemplaren van het subversieve tijdschrift Luxus met kopieën ter inzage, en een geweldige documentaire over het maffe raggaebandje Israel, tekent zich een tegencultuur af die haar gelijke niet kent. Beelden van een hippie-achtig festival uit 1980 (Darek Skubiel & Zdzislaw Zincuk) laten zien hoeveel expressieve vrijheid de jonge Poolse generatie had kunnen hebben als er in 1981 geen krijgswet was ingevoerd om de ‘staatsvijandelijke elementen’ te beteugelen. Tot 1989 was er sprake van een extreem onvrij en onderdrukkend regime, waaronder kunstenaars zich alleen in het geheim konden uiten. Er ontstond een levendige subcultuur – overigens nooit echt een beweging – van kunstenaars, muzikanten, studenten en schrijvers. Luxus leverde, soms in zeer kleine oplage, vol ironie en vrolijke kleuren harde gestencilde kritiek op de regering. Het is jammer dat er überhaupt geen aandacht is geschonken aan de illegale poëzie van die tijd, terwijl redelijk bekende dichters als Sbigniew Herbert of Jaroslaw Rymkiewicz een literaire bijdrage leverden aan de culturele rebellie. Het slotfragment uit Herberts Mr. Cogito on the Need for Precision luidt bijvoorbeeld:

“ignorance about those who have disappeared/
undermines the reality of the world/
it thrusts into the hell of appearances/
the devilish net of dialectics/
proclaiming there is no difference/
between the substance and the spectre……………”
uit: Report from the Besieged City and Other Poems (vertaling John Carpenter en Bogdana Carpenter, Oxford 1987)

Deze bundel werd in 1983 illegaal verspreid in Herberts eigen Poolse kringen, maar moest worden uitgegeven in Parijs. Toch geeft I Could Live in Africa zo’n dynamisch beeld van de ‘New Wild’ kunstenaars, dat de dadaïstische taferelen zwaar conflicteren met de steriele tentoonstellingsruimte. Dat is een overkomelijk detail, want hier wordt getoond hoe perverse kunst moreel superieur aan de heersende klasse kan zijn, en dat is niet alleen vermakelijk, maar ook erg belangrijk.

Bij een tentoonstellingstitel als Power Alone moet men zich geen rebelse Chinezen in duel met een tank voorstellen, maar bijvoorbeeld een videowerk, Foam, van Adel Abidin, waarin jongetjes proberen zo voorzichtig mogelijk schuim van een ballon af te ‘scheren’. Elke poging eindigt in een knal, in het rond spetterend schuim en gescheurd rood plastic, beteuterde gezichten. Een scheermes een wapen, een kind een moordenaar, onschuld soms dodelijk? Veel van de tentoongestelde werken in Act V geven, evenals die uit Act 1 en II (najaar 2009), pas inzicht nadat er over na wordt gedacht. Dat inzicht kan voor iedereen anders zijn, want kunst kan zichzelf beter legitimeren door verwarring te zaaien dan door duidelijk zijn.

Terwijl Miki Kratsmans prachtige fotoserie Territory bruut wordt verstoord door de eveneens indrukwekkende toren van Piero Golia – een trap naar een klein leeg podium met een microfoon, gericht naar een groot raam dat uitkijkt over het centrum van Rotterdam –  vormen de werken in een van de aangrenzende ruimtes een interessant geconfigureerd ensemble: Ziad Antar speelt in La Marche Turque het gelijknamige stuk van Mozart op een piano zonder snaren. Het geluid van de toetsen is echter des te beter te horen, en moeizaam proberend de oorspronkelijke melodie te herleiden, wordt het dreigende ritme steeds onheilspellender. Een simpele ingreep die een onvoorstelbare impact heeft op de psychologie van de gevoelige waarnemer, want hoe kan een populaire compositie plotseling appelleren aan een militaire parade, en waarom verzet je je daar als luisteraar tegen? Aan de andere wand hangt een kunstwerk van Ron Terada dat lijkt op een lichtreclame: ‘Stay Away From Lonely Places’, staat er. Waarom komt dit advies niet over alsof het goed bedoeld is? Willem de Rooij’s boeket zwarte en witte tulpen verderop, kan worden gezien als een antiglobalistische aanklacht tegen het wereldwijd overvliegen van bederfelijke producten, maar de kleuren en het groteske silhouet van de bloemen wekken in de halfduistere ruimte de indruk dat er nog meer op het spel staat. Hoe werken de relaties tussen commercie, militarisme, moraliserende adviezen, en onze gepsychologiseerde visie daarop? Deze interessante samenhang is niet karakteristiek voor de tentoonstelling, want collectief blijft het uiteindelijk toch vrijblijvend. Anderzijds is dat evenzeer inzichtelijk, want de publieke opinie over morele thema’s is op het moment dusdanig versnipperd en tandeloos dat een moreel bewustzijn tegenwoordig inderdaad zo goed als vrijblijvend is.

Act V: Power Alone is geheel verweven in de overkoepelende thematiek van de serie, die wat betreft de eerste, tweede en deze vijfde akte wellicht onterecht is opgesplitst in vaag gedefinieerde subthema’s waarbinnen het werk toch al niet niet heel coherent fungeert. Act IV: I Could Live in Africa  is juist een fremdkörper in dit kameleontische schema: het is historisch, concreet, coherent en tempo-spatiaal duidelijk gedefinieerd. Is het volledig? Niet per se, en het ontegenzeggelijk obscure onderwerp van een kunstzinnige subcultuur uit het communistische Polen doet daar weinig aan af. Desondanks is het een van de meest geslaagde onderdelen van Morality tot zover.

Witte de With toont I Could Live in Africa en Power Alone tot 25 april. Vanaf 12 mei zijn deel 6 en 7 te zien. Daarover laat Witte de With voorlopig weinig los, laat staan over de rest van het programma, dat tot 26 september loopt.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: