Groepstentoonstelling: The People United Will Never Be Defeated

The People United Will Never Be Defeated

Groepstentoonstelling

TENT, Rotterdam

19/02/10 – 18/04/10

 

Jesse van Winden, februari 2011

Waar politiek eindigt en kunst begint

‘Wij zijn als kunstenaars medeverantwoordelijk voor de wijze waarop de politiek tot uitdrukking komt en hoe deze politiek – hoe de macht – zich herkenbaar maakt. Als volksvertegenwoordigers in de meest primaire zin van het woord zijn wij altijd als eerste aan zet. De oorlogen van de westerse wereld zijn onze oorlogen. Het beleid van dit land is ons beleid. Wij legitimeren haar, wij bewijzen haar succes en bedienen haar van redenen om haar expansie voort te zetten.’

Kunstenaar en curator Jonas Staal schrijft in zijn essay ‘Post-propaganda’ (2009) verder zonder een greintje zelfspot dat ons politieke systeem afhankelijk is van de betrokkenheid van kunst om haar democratische beginsel te bewijzen. Daarom laat de politiek de kunstsector fungeren als haar propaganda-apparaat, door expliciet zonder inhoudelijke bemoeienis te subsidiëren. Volgens Staal kan  kunst alleen wezenlijke kritiek tot stand brengen als de ‘inherente verbondenheid tussen kunst en politiek als zodanig erkend wordt en als uitgangspunt wordt gehandhaafd in artistieke productie’. Dan rijst natuurlijk de vraag in hoeverre kunstenaars ‘wezenlijke kritiek’ tot stand willen brengen. Staal heeft er voor de tentoonstelling The People United Will Never Be Defeated in TenT een aantal uitgenodigd.

Hoewel de tentoonstelling uitdrukkelijk het doel nastreeft kunst te tonen die de politiek als systeem onderzoekt, geeft het in feite een breed spectrum weer van de verschillende manieren waarop een kunstwerk zich tot de politiek kan verhouden. Er is een zeker continuüm wat betreft deze relatie, waarbij het uiten van commentaar op maatschappelijke omstandigheden het meest direct politiek van aard is, zoals de spotprenten van Joep Bertrams voor Het Parool. Het andere uiterste zijn kunstwerken die zich op hun beurt documentatief en bespiegelend verhouden tot de relatie tussen kunst en politiek, zoals Jack Segbars installatie Inertia. Hierin wordt een bezoek aan de Riwaq Biënnale in Palestina gedocumenteerd, waar de relatie tussen kunst en politiek een haast existentiële relevantie heeft. Dat kan van het meeste werk uit Nederland niet gezegd worden. Sjoerd Oudman heeft bijvoorbeeld een passend campagnelied geschreven voor elke politieke partij die in Rotterdam aan de gemeenteraadsverkiezingen meedeed. Deze meezingers schallen lachwekkend saai door één van de zalen, wat waarschijnlijk hun enige kritische potentieel belichaamt.

Behalve kritisch in de meer intellectuele zin, die hier overigens opvallend weinig te zien is, bestaat er natuurlijk ook kunst van activistische aard, zoals Plaatselijke Verordening, waarin Van Gorkum en Jaio borden voor verkiezingsposters stelen en in de tentoonstellingsruimte plaatsen. Dat de kale houten stellages in esthetisch opzicht misschien de mooiste werken van de tentoonstelling zijn, is illustratief voor het feit dat ‘politieke kunst’ er niet goed uit hoeft te zien. Wat maakt politieke kunst zo ingewikkeld?

Vóór het postmoderne tijdperk belichaamde het dominante paradigma van het Amerikaanse formalisme onder andere dat kunst die appelleert aan haar maatschappelijke context, nooit goede kunst zou kunnen zijn. De sociaal-realistische kunst uit de Sovjet-Unie, de ultieme tegenhanger van deze totaal van politiek ontdane kunst, vond haar bestaansrecht juist in het uitbeelden van een duidelijke ideologische boodschap. Tussen deze extremen bestaan allerlei varianten, zoals het maatschappelijk bewogen realisme van de negentiende eeuw. Sinds het deconstructivisme de mogelijkheid heeft voortgebracht een denkbeeld te falsificeren vanuit haar eigen stelligheid, is het niet meer zo eenvoudig goede kunst te maken waarin een duidelijke opinie naar voren komt.

Een suggestie zou kunnen zijn, dat politieke kunst ‘beter’ wordt, naarmate zij minder expliciet een inhoudelijk oordeel uitspreekt, minder duidelijk is in haar opvattingen. Paradoxaal genoeg betekent dit dat kunst die vaak als ‘kritisch’ wordt aangemerkt, juist niet duidelijk ergens vóór of tegen is. Zo heeft Staal in 2008 een aantal ‘heropvoeringen’ van politieke wandaden voor kunst laten doorgaan, waarbij hij niet duidelijk maakt wat zijn standpunt hierin is. Toen onbekende individuen een  Amsterdams herdenkingsmonument voor de Tweede Wereldoorlog van dichter Van Randwijk veranderen, waarbij ‘tirannen’ is vervangen door ‘korannen’, was er sprake van een misdrijf. Maar wanneer een kunstenaar dit opnieuw uitvoert, bij wijze van performance, is hij ‘kritisch’. Voor de goede verstaander is hij zelfs politiek correct.

Politiek bedrijven, betekent dat niet macht uitoefenen, een duidelijke mening hebben, problemen zien, oplossingen aandragen? Politieke kunst maken heeft meestal niet dezelfde functie, misschien uit angst om dienend te zijn, geïnstrumentaliseerd te lijken. Als er één principe de ondergang van het formalisme overleefd heeft, is het autonoom te willen zijn, als kunst beschouwd te blijven, en niet als instrument van andere belangen. Daarom tendeert de ‘betere’ politieke kunst vaak naar een provocerende vorm van vrijblijvendheid, die ‘aan het denken zet’, ‘een spiegel voorhoudt’ of ‘aan de orde stelt’. Niet zonder reden zal een politieke prent in een krant zelden als ‘kunst’ bestempeld worden. Dit maakt politieke kunst ten diepste problematisch: wie echt iets wil zeggen, kan dat niet transparant doen, hij moet zich in strategische bochten wringen en juist niet duidelijk uitleggen wat zijn standpunt is.

Deze ‘indirecte’ strategie heeft het activistische kunstenaarsduo BAVO geperfectioneerd door het tegenovergestelde te verkondigen van wat ze bedoelen. In de folder van hun Bureau Kunstenaarsparticipatie, met een informatiestand in TenT en in het Stadhuis van Rotterdam, presenteren ze een plan dat het Rotterdamse kunstbeleid kracht moet bijzetten: omdat kunst volgens de gemeente een belangrijke bijdrage moet leveren aan de culturele, economische en sociale identiteit van de stad, moeten kunstenaars gedwongen worden hieraan een reële invulling te geven. Bemiddelingsbureau’s zullen opdrachten vanuit het bedrijfsleven verzamelen en kunstenaars moeten die accepteren. Op deze manier zullen kunstenaars eindelijk nuttig zijn voor de stad. De boodschap is duidelijk: de politiek mag zich niet inhoudelijk bemoeien met de kunstsector.

De andere getoonde werken gaan voorbij aan Staals centrale doelstelling de politiek als systeem te onderzoeken, maar zijn in wezen ofwel kritische kunst met een humoristische twist (Castro en Ólafsson, Lobbyists; Kalleinen en Kochta-Kalleinen, Complaints Choir), als contemplatief object (Himmelsbach de Vries, Het slechte geeft me het gevoel er toe te doen; Marc Bijl, Abstract Activism Wallpainting No. 3; Fernando Sánchez Chastillo, Untouchables), of door de politiek geïnstrumentaliseerde kunst (Jonas Staal en Rob Schröder, installatie Politiek Kunstbezit). Terwijl de meeste exposerende kunstenaars niet van een relativerende ondertoon gespeend zijn, neemt Jonas Staal – die zich overigens zelf ook wel eens laat subsidiëren – zijn taak als kunstwaakhond wellicht iets te serieus.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: